Honderden hectares voetbalveld zijn de afgelopen decennia
verdwenen uit de binnensteden. Gemeentes dwongen clubs uit financiële
overwegingen om hun heil te zoeken aan de rand van de stad. Maar het
tij lijkt te keren. Sportambtenaren leggen het niet langer bij
voorbaat af in discussies met Bouwen en Wonen.
Er
heerst een geprikkelde stemming in de bestuurskamer van voetbalclub
VVOO. Afgelopen weekend is de sim-kaart gestolen uit de mobiele
telefoon van de jeugdvoorzitter. En dat kan natuurlijk niet.
De dader, waarschijnlijk een speler uit een van de jeugdelftallen,
zal en moet gevonden worden. Maar hoe?
Voorzitter Theo de Jongh en penningmeester René van der Linden
zitten duidelijk met de situatie in hun maag. Ze hebben alle spelers
van het team al een envelop meegegeven met het dringende verzoek die
terug te geven mét de gestolen kaart of mét de naam van de dader.
Maar tot op heden zonder resultaat. Overwogen wordt nu het om
betreffende jeugdteam voor de rest van het seizoen uit de competitie
terug te trekken. ‘Dat gaat inderdaad heel ver,’ zegt De Jongh, ’maar
we kunnen dit niet laten passeren. Wij, als VVOO, hechten enorm aan
correct gedrag. We willen een nette club zijn. En dan moet je soms
laten zien dat je bepaalde dingen niet tolereert.’
VVOO (voetbalvereniging Onder Ons) heeft zijn onderkomen in De
Dreef, een sportcomplex middenin de Utrechtse wijk Overvecht-Zuid.
Overvecht is een typische achterstandswijk: veel flats, saaie
winkelcentra en een voornamelijk allochtone bevolking. VVOO heeft van
oorsprong niet zijn wortels in de wijk. Vijf jaar geleden nog had de
club zijn sport- en trainingsfaciliteiten een paar kilometer
verderop, aan de Manitobadreef, het uiterste randje van Utrecht.
Twintig jaar lang draaiden de VVOO’ers hier elke zaterdag hun
competitiewedstrijden af. Maar heel geleidelijk ging het bergafwaarts
met de club. Aanwas van jonge spelers was er eigenlijk niet. Logisch
ook, aan de Manitobadreef was het in de avonduren aardedonker en
bussen reden er niet. ‘Eerlijk gezegd zou ik mijn kinderen er ’s
avonds ook niet naartoe sturen’, zegt Van der Linden.
'Er waren mensen die zeiden: doe het niet,
je redt het ook dáár niet.'
De terugloop van het aantal leden noopte de club om uit te kijken
naar een andere locatie. Na lang heen en weer gepraat met de gemeente
Utrecht kreeg VVOO vijf jaar geleden de kans om te verhuizen naar
Overvecht. Een kans die de club met beide handen aangreep. Al was er
bij sommigen ook twijfel. De Jongh: ‘Er waren mensen die zeiden: doe
het niet, je redt het ook dáár niet. Maar ik ben er steeds rotsvast
van overtuigd geweest dat we in Overvecht van VVOO weer een
levensvatbare vereniging konden maken.’
De
tijd heeft het gelijk van De Jongh en Van der Linden bewezen.
Aan de Manitobadreef had VVOO te langen leste nog maar dertig
leden en twee seniorenteams tot zijn beschikking. In Overvecht
is het ledenaantal spectaculair gegroeid tot zo’n 220. Meer
dan genoeg om elke week zeven zaalvoetbalteams, negen jeugdelftallen
en drie seniorenelftallen op te stellen. Voor nieuwe leden
geldt tegenwoordig zelfs een stop, omdat er simpelweg niet
genoeg faciliteiten zijn om alle teams hun wedstrijden te
laten spelen. En sportief zijn er ook succesjes: het B- en
C-elftal staan bovenaan in de competitie.
Maar de verhuisoperatie is niet alleen een succesverhaal, het
bestuur ervaart dagelijks de schaduwzijden van het leiding geven aan
een club in een probleemwijk. Ouders die nalatig zijn in het betalen
van de contributie, die nauwelijks bereid zijn om vrijwilligerswerk
te verrichten en amper genegen om de kinderen naar uitwedstrijden te
vervoeren. Van der Linden: ‘Allochtone ouders zijn - nog meer dan
Nederlandse vaders en moeders - geneigd om hun kind te “droppen” bij
de club. Ze zijn nauwelijks betrokken. Terwijl de spelers, met name
als ze tussen de 12 en 15 zijn, veel specifieke aandacht nodig
hebben. In de praktijk betekent het dat nog meer op de schouders van
de vrijwilligers terecht komt. Dat is wel eens zwaar.’
'Soms heb ik het gevoel dat we als club
bezig zijn de problemen van de stad Utrecht op te lossen.'
Het verhaal van VVOO laat goed zien hoe belangrijk de
wisselwerking is tussen een sportorganisatie en een buurt. Een
voetbalclub die middenin een wijk is gevestigd, draagt bij aan de
leefbaarheid van de buurt. Jongeren die voetballen, hangen niet rond
in winkelcentra en plegen geen vandalisme of criminaliteit. Om die
reden kunnen jongeren bij VVOO ook buiten de officiële
trainingstijden op de velden terecht om een balletje te trappen. Van
der Linden: ‘VVOO is allang niet meer alléén een voetbalclub; we
hebben ook een sociale functie. Soms heb ik wel eens het gevoel dat
we als club bezig zijn de problemen van de stad Utrecht op te lossen.
Toch ga je door, omdat je van de club houdt.’
Omgekeerd profiteert een vereniging van een wijk
door de continue aanwas van nieuwe spelers. Toen in de jaren
zeventig en tachtig veel voetbalverenigingen naar de randen
van de stad werden verbannen, daalden de ledenaantallen soms
dramatisch. Maar gemeentes hadden doorgaans weinig oog voor
deze nadelen. Veel zwaarder woog de te behalen ruimtebesparing.
Immers, zet je op de plaats van een voetbalveld huizen neer,
dan vallen er forse winsten te behalen. Op die manier ‘verdwenen’
in de loop der jaren vele hectares aan voetbalveld uit de
steden. Alleen in Rotterdam al is tussen 1985 en 2001 bijna
500.000 vierkante meter aan voetbalveld verloren gegaan In
Den Haag werden tien tot twaalf velden ‘weggegeven’ aan woningcorporaties.
Pas
de laatste jaren is bij ambtenaren en bestuurders van gemeenten
het inzicht doorgedrongen dat dit beleid, hoe voordelig ook
financieel gezien, maatschappelijk een slechte zaak is. Wijs
geworden kiezen veel gemeenten inmiddels voor een andere benadering
en stimuleren ze sportclubs om een omgekeerde beweging te
maken, terug de wijk in.
Ook het Ministerie van VROM is voorstander van een terugkeer van
de sport in de stad. De strategische denktank van het ministerie,
Forum, deed vorig jaar onderzoek naar voetbalcomplexen in de vier
grote steden. Dit onderzoek staat beschreven in een vijftal katernen,
dat bij Forum te verkrijgen is en de titel draagt ‘Sport in de stad:
kans voor open doel’. Voornaamste conclusie van het onderzoek: een
sportvereniging kan bij uitstek een middel zijn om de sociale
samenhang in een wijk te bevorderen. Samen met zijn
collega-bewindslieden van VWS en Binnenlandse Zaken heeft
staatssecretaris Remkes van VROM daarom onlangs een
interdepartementaal platform opgericht onder de naam ‘Sociale cohesie
en sport in de stad’. Dit platform wil bij gemeenten en clubs de
aandacht vergroten voor de sociale functie van sport in wijk of stad.
Ook is het platform op zoek naar lokale projecten die zich op dit
onderwerp richten.
In Amsterdam-Zuidoost heeft het ‘nieuwe denken’ inmiddels ingang
gevonden, stelt Leen Noordermeer, beleidsmedewerker sport en
recreatie bij het stadsdeel. Zo trekt het Amsterdamse stadsdeel
miljoenen guldens uit om enkele clubs vanuit de buitenwijken weer
naar de bewoonde wereld te lokken. Het gaat onder meer om de SV
Bijlmer, KSJB, Kismet en Flamingo, voornamelijk Surinaamse
verenigingen die nu nog op sportpark De Toekomst spelen. Op dit
complex heeft Ajax zijn jeugdopleiding ondergebracht. De Amsterdamse
club wil echter het hele sportpark inlijven en er een eigen
trainingsdorp à la Milanello van maken.
Reden voor het stadsdeel Zuidoost om samen met de vier clubs
alternatieven op papier te zetten. Daar kwam onder meer uit dat de SV
Bijlmer in 2005 naar het Bijlmerpark zal verhuizen. Dit park
ondergaat de komende jaren een ingrijpende facelift, waarbij sport
een prominente positie krijgt toebedeeld. De verhuizing heeft tal van
voordelen, voor de wijk en voor de club. Zo denkt Noordermeer dat SV
Bijlmer in het Bijlmerpark eindelijk de mogelijkheid krijgt een
financieel gezonde club te worden. ‘De Bijlmer heeft behoefte aan
meer sportvelden. De kinderen hier zijn zeer sportminded.’
'Voetbal is een verdomd interessant middel
om met je buurman uit Senegal of Burkina Fasso in gesprek
te komen.'
Ook verwacht de stadsdeelambtenaar veel van de ‘multifunctionele
verenigingsgebouwen’ waar de plannenmakers het over hebben. Deze
gebouwen bieden plaats aan allerlei faciliteiten: vergaderruimtes,
kinderopvang, fysiotherapeuten etc. Dat is ook goed voor de
integratie, meent Noordermeer. ‘Want nu is het zo dat elke etnische
groep in de Bijlmer zijn eigen sportclubje heeft. Dat kun je
doorbreken als je mensen met elkaar laat sporten en samen andere
dingen laat doen.’
De hernieuwde aandacht voor het belang
van sportvoorzieningen in de wijk, heeft ook zijn eigen positie
als ambtenaar veranderd, stelt Noordermeer vast. Legde je
het als sportambtenaar vroeger bij voorbaat af in discussies
met de dienst Bouwen en Wonen, tegenwoordig is dat toch anders.
‘Ik kan me bijvoorbeeld herinneren dat er sprake van was om
sporthal Strandvliet bij de Arena op te heffen. Toen wij dat
hoorden, hebben we een onderzoek laten uitvoeren en daaruit
bleek duidelijk dat de mensen in de wijk Strandvliet wilden
behouden. En daar is naar geluisterd. Dat is verrassend, want
de grond bij de Arena is buitengewoon duur. Ik weet zeker
dat voorheen de uitkomst van de discussie heel anders zou
zijn geweest.’ Tevreden concludeert Noordermeer dan ook dat
‘sport niet meer per definitie gedoemd is om te verdwijnen.’
Foto 1: Training van een van de jeugdteams van VVOO uit
Utrecht. Sinds de club verhuisd is naar de wijk Overvecht, is het
ledental gestegen van 30 naar 220.
Foto 2: Het Amsterdamse Buitenveldert heeft de grootste
meidenafdeling van Nederland. Maar liefst zeventien vrouwenteams telt
de sportclub van voorzitter Henk Voskuilen. Teams die wegens gebrek
aan competitie meedraaien in mannencompetities. Desalniettemin is het
al een paar keer voorgekomen dat een vrouwenploeg alle masculiene
tegenstrevers het nakijken gaf en kampioen werd. Voskuilen noemt
Buitenveldert een echte volksclub, die zijn talenten voornamelijk
rekruteert uit het stadsdeel Zuideramstel. Buitenveldert investeert
sterk in de band met de wijk. Zo organiseert de club sinds een jaar
buitenschoolse opvang voor kinderen tussen de 3 en 6 jaar. Groot was
de verontwaardiging enkele jaren geleden, toen de gemeente Amsterdam
plannen bekend maakte om de club te verplaatsen naar sportpark Het
Loopveld, enkele kilometers verderop. De verplaatsing was nodig in
verband met grootschalige bouwprojecten aan de Zuidas. ‘Verhuizing
naar Amstelveen zou de doodssteek voor ons hebben betekend’,
zo weet Voskuilen zeker. ‘Andere clubs hebben het daar ook geprobeerd
en zijn nu ter ziele.’ Langdurig verzet en actief ‘meedenken’ van de
kant van de club resulteerde in een compromis. Buitenveldert nam de
velden over van een andere club uit de buurt, RAP, dat geen
jeugdafdeling heeft en wel bereid was om te verhuizen. Voor de
eerstvolgende tien jaar lijkt Buitenveldert gered. Voskuilen: ‘Maar
dat hebben we wel voor 1000 procent aan onszelf te danken en niet aan
de gemeente.’
Foto 3: Voetbalclub Roodenburg uit Leiden-Noord was enkele
jaren geleden bijna verhuisd naar Leiderdorp. Niet op last van de
gemeente, maar omdat het toenmalige bestuur meende dat het beter voor
de club zou zijn te vertrekken uit de bekende Leidse probleemwijk. Nu
kon niet ontkend worden dat Roodenburg in het slop verkeerde. De
vereniging bevond zich in een wijk die in de loop der jaren ‘van
kleur was verschoten’, maar had zich nauwelijks aangepast aan de
veranderde omstandigheden. Gevolg: een leegloop van leden en een
sportief verval van de eerste elftallen op de competitieladders van
de KNVB. De noodgreep van het zittende bestuur om de club dan maar in
zijn geheel te verhuizen werd echter op het laatste nippertje
verijdeld. In plaats daarvan werd met enkele miljoenen overheidsgeld
een ambitieus herstelplan opgesteld: ‘Roodenburg 2002’. Dit
actieprogramma moet de club binnen een paar jaar weer in het rechte
spoor te krijgen. Het plan voorziet onder meer in het versterken van
de band tussen club en ouders. Zo worden familieleden van jonge
spelers via trainingen en cursussen gestimuleerd om mee te draaien
als vrijwilliger. Verder wordt sinds enige tijd streng opgetreden
tegen discriminatie. Die aanpak lijkt te werken, al heeft ze soms
onbedoelde neveneffecten. Toen onlangs enkele blanke spelers ruzie
kregen met een paar eveneens witte spelers van de tegenpartij,
schoten Marokkaanse en Turkse ploeggenoten hen prompt te hulp en
ontstond een massale vechtpartij. Ook zijn binnen Roodenburg
inmiddels enkele Marokkaanse trainers actief, wat weer goed is voor
de identificatie van de jonge allochtone spelertjes. ‘Maar ook al
gaat het een stuk beter met de club, we zijn er nog niet’, zegt
Raymond Keur, projectleider van Roodenburg 2002. Keur hoopt met hart
en ziel dat zijn project verlengd wordt. Dat is goed voor de club en
voor de wijk. ‘Voetbal is een verdomd interessant middel om met je
buurman uit Senegal of Burkina Fasso in gesprek te komen. En dan
bedoel ik niet een gesprek over voetbal. Het interessante is nu juist
dat je via voetbal automatisch over heel andere dingen komt te
spreken, zoals de schoolprestaties van je kind.’
Foto 4: Nu is het nog een kale vlakte, maar over niet al te
lange tijd staat op de plek van de voormalige vuilverbranding in Den
Haag een compleet nieuw wijkpark. Dit park, heel toepasselijk De
Verademing geheten, zal ook tal van sportfaciliteiten bieden. Zo
krijgt voetbalclub Jai Hanuman er de beschikking over twee
trainingsvelden en een speelveld. Een luxe in vergelijking met de
huidige accommodatie, enkele kilometers verderop, want die bestaat
uit niet meer dan één enkel veldje. En dat is veel te weinig, meent
jeugdvoorzitter Gerard Stakenburg. Bovendien laat de kwaliteit van
het veld te wensen over. Enige tijd geleden moesten de A-junioren
afzien van deelname aan de hoofdklasse, vertelt Stakenburg, omdat het
eigen veld geen goede afrastering heeft en die is wel verplicht. Een
besluit dat met pijn in het hart werd genomen. Het nieuwe speelveld
heeft die omheining wel. Maar er zijn meer redenen waarom Jai Hanuman
zich als een der eerste clubs bij de gemeente aanmeldde om naar De
Verademing te verhuizen. Straks zit de club middenin de wijk waar ook
het grootste deel van zijn leden woont: Regentes-Valkenbos. En dat is
een goede zaak, meent Stakenburg, die mogelijkheden ziet om in de
toekomst flink door te groeien van 13 naar - pak ’m beet - 24
elftallen. ‘Dat zou heel mooi zijn, want op onze thuiswedstrijden
komt nu geen hond af.’ Straks, zo rekent de jeugdvoorzitter zich
alvast rijk, moeten dat toch minstens zevenhonderd man per week
worden.’
|